La flèchette, oftewel ‘De Kleine Pijl’. ‘Slechts’ 160km, 2991 hoogtemeters over 17 cols. Er is slecht weer voorspeld. Een aantal mensen dat de toch zou gaan fietsen heeft inmiddels om allerlei redenen afgehaakt. Zelf twijfel ik nog. De voorspellingen: harde wind met windstoten tot 6 Bfrt, regen met onweders en hagelbuien, maximaal 8ºC. Geen vooruitzichten om vrolijk van te worden. En regen in de Ardennen is meestal geen buitje, maar langdurige druilige regen. Maar goed, ik heb mij al weken op deze tocht verheugd, eigenlijk al sinds de eindstreep in de Ronde van Vlaanderen. Of beter nog, sinds het fietsen van ‘Het Pijltje’ vorig jaar (‘la petit flèche’; 120km). Stel je voor dat mijn collega’s wel gaan fietsen en naderhand weten te melden dat het toch wel mee viel met het weer! Het besluit is gevallen. Ik ga, ondanks de belabberde voorspellingen. En dus de wekker op 4:00 uur om Noud op te kunnen halen. “Je bent gek!” zegt mijn vrouw nog. “Nee, sportief!” kaats ik. We hebben allebei gelijk.
Op het verzamelpunt aan de A73 is het nog droog. Even later begint het te miezeren. Weer wat later houd het op met miezeren. Dan regent het echt. Na anderhalf uur rijden probeert Noud het positief te zien: “Hé, het klaart een beetje op!” zegt hij op een moment dat donkergrijs overgaat in lichtgrijs. Maar dat beetje hemelwater kan ons humeur toch niet bederven. We zijn immers onderweg naar ‘La Redoute’, ‘De Wanne’, ‘Le Stockeu’, ‘Le Thier de Coo’. De Ardennen-hellingen met naam. Met z’n achten stappen we in Spa uit de auto’s, kleden ons om en treffen de laatste voorbereidingen. De echte mannen zijn klaar en we gaan op weg naar de inschrijving. Het is daar overigens erg rustig. Blijkbaar hebben vele wielertoeristen andere consequenties verbonden aan de weersverwachtingen dan wij.
Na zo’n drie minuten fietsen, als het water inmiddels op diverse plaatsen naar binnen loopt en zijn weg naar mijn onderkleding aan het zoeken is, grapt Cees nog: “Je moet er toch niet aan denken dat nu de zon zou schijnen en het 25 graden of meer zou zijn!” Nee, daar moet ik maar niet aan denken. Dat zou niet half zo stoer zijn. (Maar wel iets leuker). De tocht verloopt prima. Drijfnat maar goed gemutst fietsen we door het prachtige Ardennen landschap. Jammer dat het weer het uitzicht enigszins belemmerd, maar bij tijd en wijle zijn de vergezichten werkelijk schitterend. Na 17 km beginnen we aan de ‘Redoute’, een beruchte klim uit Luik-Bastenaken-Luik, maar voor ons een eitje, want nog aan het begin van de tocht. (L-B-L heeft er op dat moment al 200km opzitten). Vlak voor de top probeert een fotograaf, schuilend onder een vissersparaplu, met een Zuidwester op en met lieslaarzen aan, vrolijke fietsers te vangen in zijn ’Minolta’. Vorig jaar had hij beslist een betere vangst. Maar nog redelijk fris en monter verdwijn ook ik met een brede glimlach in zijn toestel om er enkele uren later op papier weer uit te komen. Voor € 5,00 hang ik vervolgens op het prikbord bij de finish te koop, nog druipend van de regen, wachtend om als trofee meegenomen te worden voor het thuisfront als het natte bewijs van mijn helden tocht.
Bovenop ieder col wachten we even op elkaar, zo ook op de ‘Chambralles’. Weer compleet vraagt Eric, enigszins vertwijfeld: “Kan iemand mij misschien uitleggen waarom dit ook alweer leuk is?” “Nee Eric, dat gaat vandaag niet lukken”. En lachend fietsen we weer verder, op naar de volgende col. Bij de eerste controlepost besluit Eric om het iets rustiger aan te doen. Cees is zo sportief om bij Eric te blijven en samen fietsen ze verder. Helaas missen ze op een gegeven moment een afslag. Eric en Cees fietsen niet het hele eind terug, maar nemen de kortste route naar Spa. Gezien de omstandigheden een verstandig besluit. Een besluit dat overigens ook door vele anderen genomen wordt, ook zonder het missen van een afslag. Regelmatig zien wij namelijk kerende fietsers en volle volgwagens. Wij niet. Wij zetten door!!
Tegen het middag uur, als het nog niet één moment droog is geweest, slaat toch ook bij mij de vertwijfeling toe. Gelukkig is het juist dan even droog en zie ik zelfs even de zon. Goed, dat vrolijke moment duurde nog geen tien minuten, maar was wel voldoende om door te zetten. Als vlak daarna de regen overgaat in een plensbui denk ik bij mezelf: “Als je 90 km door de regen kunt fietsen, dan kun je er ook 160 fietsen.” En dat blijkt te kloppen, al moet ik af en toe wel erg diep gaan en flink afzien. Dan moet ik ook weer even aan Eric denken. Dit was juist leuk. Daar doe je het voor. Dit is overigens ook het eerste moment waarop blijkt dat het slechte weer ook een aanslag op het materiaal pleegt en dat mijn remblokken behoorlijk aan het slijten zijn. Natuurlijk stel ik de remmen wat strakker, maar er gaan nog geen alarmbellen rinkelen… Ik ben trouwens niet de enige met materiaal pech, als je dit al zo mag noemen. Roland moet even stoppen en zegt zo wel weer bij te komen. Door nog meerdere communicatieproblemen en misverstanden is Roland na drie lekke banden gedwongen om op te geven. Erg jammer, vooral ook omdat we juist op dat moment niet als groep bij elkaar zijn gebleven en zijn opgeven misschien hadden kunnen voorkomen. Ik vind dat we daar als groep in gebreke zijn gebleven, waarvoor mijn excuses aan Roland.
De afdalingen zijn koud. Erg koud. Stel je voor. Je bent nat tot op je hemd (en zelfs verder). Je hebt het al niet warm, het waait erg hard en dan ga je ook nog eens met een gangetje van zo’n 40-50km/u de helling af, enkele kilometers lang. Dat is koud. Erg koud. Ik heb vroeger nogal wat op een motor gereden, maar kan mij niet herinneren het ooit zo koud gehad te hebben. Maar ook nu geld: na regen komt zonneschijn, waarmee ik bedoel te zeggen dat er na een afdaling ook weer een klim komt, een moment om het weer wat warmer te krijgen. Niet eerder in mijn ‘wielercarrière’ heb ik mij zoveel meer verheugd op het klimmen dan op het afdalen.
Iedereen heeft zo zijn eigen favoriete hellingen tijdens een tocht. Mijn favoriet is de ‘Thier de Coo’. Met 135 pittige kilometers achter de wielen is dat nog een steile en gemene rakker met in het bos een draai naar links en even een stukje van ~20%. Iedereen die hem een keer gefietst heeft weet welk punt ik bedoel. Sleurend aan het stuur, trekkend aan de pedalen hijs ik mijn fiets, mijn eigen gewicht verzwaard met zeker vijf kilo regenwater in mijn kleding, de berg op. Met hangen en wurgen blijf ik boven de 6km/u, maar mijn doel, niet afstappen, heb ik weer gehaald. Euforisch bereik ik dan ook de laatste controle post boven op de berg. Vorig jaar was het daar overigens een dringen geblazen om een blikje ‘Red Bull’ te bemachtigen tussen de vele renners, nu kon je op je gemakje je chocolade en je water ophalen. Even weer bijkomen en verzamelen, maar niet te lang stil blijven staan want daar krijg je het onnodig koud van. In het zadel en weer verder, de laatste 25 kilometers, waaronder ‘La Haute Levée’. Daar ontmoette ik de bekende man de evenzeer bekende hamer. Toegegeven, ‘La Haute Levée is geen onaardige klim, maar de voorafgaande klimmetjes waren beslist zwaarder. Ik zat er echter doorheen. Het eerste stuk, het steilste stuk, ging nog redelijk. Het lange, niet steile stuk ging echter zeer moeizaam. Met mijn laatste krachten kon ik de teller nog net boven de 15km/u houden. Eenmaal boven merk ik gelukkig dat het eten en drinken van een half uur daarvoor zijn uitwerking begint te krijgen. Met hernieuwde krachten begin ik aan de ‘Rosier’ en kan mijn collega’s weer redelijk bijhouden. Een nieuw fenomeen heeft echter inmiddels zijn intrede gedaan. Overal waar ik een helling af ga wordt ik nagekeken. Het klinkt namelijk niet als een racefiets, maar als een slijptol. Van mijn achterrem is namelijk niets meer van de remblokken over. Volledig weggesleten door het slechte weer. Daar helpt geen afstellen meer aan. Op is op. Metaal op metaal. Dat remt ook wel, maar is toch niet bevorderlijk voor de velgen. Dan maar zoveel mogelijk de achterrem ontzien. Overigens is het weer wel wat opgeknapt. Bovenop de ‘Rosier’, onze laatste beklimming van deze gedenkwaardige tocht heb ik zelfs het gevoel dat ik bijna droog ben. Af en toe schijnt zelfs de zon. Ik weet niet wat me overkomt! Komt het toch nog goed allemaal! Om echter het feest compleet te maken komt er tijdens de afdaling van de ‘Rosier’ een ongenadige hagelbui op onze knar vallen. Speldeprikken op half bevroren oren, venijnige hagelstenen op steenkoude wangen en neuzen. Toch alles weer drijf nat. Het maakt de tocht compleet en nog heroïscher. Maar door deze ijskoude afdaling kan ik het niet opbrengen om mijn remmen zoveel mogelijk te sparen door rechtop en vol in de wind de afdaling in te zetten. Dit kost ook nog mijn voorrem.
Moe maar zeer voldaan en zonder remblokken kom ik samen met de andere Cycletime-Heroes aan in Spa. Hier wacht ons een lekkere kop koffie, een stevige pint en natuurlijk de bekende bak met friet. Smullen maar!
En de thuisblijvers? Sommige watjes hadden misschien een inimini beetje gelijk, maar ik had dit voor geen goud willen missen. |